Volgens antropologe Rose Mary Allen kun je het carnaval en de arbeidersopstand van 30 mei niet helemaal los van elkaar zien. “Ze komen beide voort uit het steeds sterker wordende zelfbewustzijn over de Afro-Curaçaose identiteit”, zegt ze.

Dat bewustzijn over die eigen identiteit kwam al ver voor de opstand op gang, vanaf de jaren ’50. Toen werden bijvoorbeeld auteurs die in het Papiaments schreven populair. Ook werd het tijdschrift Vito opgericht in de jaren ’60, waarin het Nederlandse kolonialisme, sociale ongelijkheid en discriminatie op het eiland openlijk werden bespot.

“De cultuur op Curaçao is beïnvloed door kolonialisme en slavernij. Daardoor hebben wij een multiculturele samenleving, met veel sociale ongelijkheid. Die zoektocht naar een eigen identiteit zie je heel erg terug in de carnavalsbeleving van de afgelopen 50 jaar.”

Volgens Allen is carnaval een feest waar de deelnemers die collectieve identiteit van Curaçao op speelse wijze laten zien door dans en kostuums.

Uniek erfgoed

Allen ziet carnaval dan ook als uniek erfgoed van het eiland, dat bewaard en gekoesterd moet worden. “Wij moeten goed nadenken over welk beeld wij nu, en in de toekomst, laten zien van het eiland. Wie wij zijn, zonder teveel nadruk op folklore.”

Cuales geniet vandaag vanuit zijn huis aan de hoofdweg in Otrobanda van de parade. De muziek klinkt door tot diep in het huis en iedereen trekt dansend voorbij. Volgens hem is dat Curaçao waar carnaval om draait. Dat, en “een goed feestje bouwen, om alle problemen even naast je neer te leggen.”

Vijf jaar geleden, na 45 keer te hebben meegelopen, heeft hij de traditie overgedragen aan zijn kinderen. “Want”, zo zegt hij, “ook al doe ik niet actief meer mee, carnaval zal altijd blijven bestaan. De Tumbamuziek is de hartslag van ons eiland. Iedereen is één, en dát is onze identiteit.”

2020-02-23 09:47:03

Aangeboden door: nos.nl