Voor het eerst is objectief vastgesteld dat mbo-studenten met een migratieachtergrond worden gediscrimineerd bij het vinden van een stageplek. Het Verwey Jonker Instituut testte in de praktijk wie er wel en niet werden uitgenodigd voor stages. De gemeente Utrecht gaf opdracht voor het onderzoek.

Ongeveer een kwart van de Utrechtse mbo-studenten zegt tegen de onderzoekers bij het zoeken van een stage discriminatie te hebben ervaren of hiervan een vermoeden te hebben. Tijdens de stage ervaart een op de acht studenten discriminatie. Het gaat vooral om discriminatie op basis van opleidingsniveau, het land waar hun ouders of grootouders geboren zijn, geloof, kleding, uiterlijk en huidskleur.

Praktijktesten

Het instituut deed het onderzoek in opdracht van de gemeente Utrecht en mbo-instellingen in die stad. Er werden in totaal 577 sollicitaties verstuurd op 288 vacatures. Ook vulden ruim 600 Utrechtse studenten een vragenlijst in.

Mehmet Day, onderzoeker van het Verwey Jonker Instituut, noemt het onderzoek bijzonder. “Het is de eerste keer dat zowel objectieve als ervaren discriminatie tegelijk is onderzocht, in de lokale context van stagediscriminatie”.

Liever vrouwen

Vooral bij ICT-bedrijven is er sprake van stage-discriminatie. Mbo’ers met een islamitische achtergrond krijgen daar moeilijker een stageplek dan andere studenten. Bij zorg en welzijn is er geen discriminatie. Studenten uit wier cv blijkt dat zij moslim zijn, hebben zelfs vaker de voorkeur. Ook vrouwen hebben vaker een streepje voor.

Uit de testen blijkt volgens de onderzoekers ondubbelzinnig dat vrouwelijke studenten meer kans hebben op een positieve reactie dan mannelijke studenten. Dat geldt vooral voor de bouw en technische sector. Het wettelijk toestaan van positieve discriminatie in die sectoren heeft daar kennelijk effect.

Discriminatieklacht vaak niet herkend

Uit eerder onderzoek was al bekend dat docenten en stagebegeleiders vaak moeite hebben met het herkennen van stagediscriminatie. Zij vragen zich af of er wel echt sprake is van discriminatie.

Die vraag kwam ook aan de orde in de groepsgesprekken die werden gevoerd met onderwijsprofessionals, werkgevers en beleidsmakers. Zij suggereerden dat het goed zou zijn studenten beter voor te bereiden op sollicitatiegesprekken en ze weerbaarder te maken.

“Als we stagediscriminatie willen verminderen, is er meer bewustwording en een sense of urgency nodig bij onderwijsprofessionals, werkgevers en beleidsmakers om echt een verandering in gang te zetten”, aldus het onderzoek.

Werkgevers bewust maken

Stagebegeleiders en werkgevers moeten er meer bewust van worden gemaakt dat discriminatie voorkomt, stelt het Verwey Jonker. De verwachting is dat het helpt als werkgevers bij het selecteren van stagiaires standaardformulieren gaan gebruiken, zonder vragen over persoonsgegevens. In plaats daarvan zouden studenten vragen moeten krijgen over hun leerbehoefte. De werkgever kan aangeven welke competenties belangrijk zijn voor de stage.

Een manier om misstanden aan te tonen zouden praktijktests zijn. Niet door de school, maar door een onafhankelijke partij, bijvoorbeeld een antidiscriminatievoorziening (ADV). Die voert dat dan periodiek uit.

Studenten ondersteunen

Studenten geven aan dat ze vaak te weinig hulp krijgen als ze met een klacht zitten. Ze weten niet bij wie ze terechtkunnen. Bovendien merken ze vaak dat het voor een leerkracht lastig is een werkgever aan te spreken.

Die wil de relatie met het leerbedrijf goed houden, vanwege het tekort aan stageplekken. Een vertrouwenspersoon op de opleiding zou de studenten bij klachten over discriminatie kunnen ondersteunen.

De Utrechtse wethouder Verschuure is geschrokken van de resultaten. “Met dit onderzoek en de aanbevelingen kunnen we nu veel gerichter stagediscriminatie aanpakken en tegelijkertijd studenten begeleiden en ondersteunen”, aldus de wethouder.

2021-06-11 09:00:03

Aangeboden door: nos.nl